|
Toen een orchideeënliefhebber vol trots zijn plant liet zien op een orchideeënavond was ik verkocht. Wat een plant, zo'n mooie bladwaaier, het leek wel een Vanda. Maar de bloemen zijn totaal anders, een hangende bloemtak met een aantal grote olijfgroen en witte bloemen. De grote lip op z'n kop en een enorm spoor maakt het plaatje geheel af. De plant draagt de fantastische naam Plectrelminthus caudatus. Onmiddellijk stond deze Afrikaanse schoonheid op mijn verlanglijstje. In juli 2008 werd mijn droom werkelijkheid en nu wiegen twee bloemtakken met elk 10 spinachtige bloemen voor mijn open venster.
Naamsverwarring Heel wat minder mooi dan de klank is de vertaling van de geslachtsnaam. Het lange spoor was leidend voor de naam van de plant. Zowel in de geslachtsnaam als de soortnaam. Plektron betekent spoor in het Grieks en helminthion betekent worm. Samen vormen deze twee woorden geslachtsnaam Plectrelminthus. Zo'n bloem vergelijken met een worm? Bij goede observatie van de bloem, met zijn wormachtig spoor, is de naam van het geslacht niet geheel onlogisch. Die spoor is bovendien onder de naam caudatus terug te vinden in de soortnaam. Caudatus betekent namelijk lange staarten; met een spoor van 23 cm maak je deze vergelijking wel.
De botanicus, natuurkenner en auteur Constantine Samuel Rafinesque (1783-1840) is verantwoordelijk voor de naamgeving van dit geslacht. Deze veelzijdige wetenschapper was van Frans-Duitse afkomst, geboren in Turkije en geëmigreerd naar de Verenigde Staten alwaar hij het boek Herbarium Rafinesquianu publiceerde. De heersende wetenschappelijke orde verwierp de meeste wetenschappelijke namen die hij daarin voorstelde. Echter de geslachtsnaam Plectrelminthus accepteerde men na veel omhaal.
Landje pik Om zo'n mooi geslacht is uiteraard veel te doen, en iedereen wil zo'n plant wel op zijn naam. Zo droeg deze zwoel geurende schoonheid ooit de naam Angraecum caudatum Lindl. 1836. De vergelijking met het geslacht Angraecum ligt voor de hand. In datzelfde jaar verbond Rafinesque aan dit groene wonder de naam Plectrelminthus bicolor Raf. Maar Reichenbach onderscheidde enkele kenmerken en plaatste ze in het geslacht Listrostachys in 1864. Men verkocht de plant vanaf toen onder de naam Listrostachys caudata (Lindl.) Rchb. f. Het rijtje is echter nog niet compleet, zo toverde Kuntze de plantennaam om tot Angorchis caudata (Lindl.) Kuntze. Botanicus Schlechter hield zich daarna met dit plantengeslacht bezig en duidde de plant in 1914 aan met Leptocentrum caudatum (Lindl.) Schltr. In 1949 gaf Victor Samuel Summerhayes de plant zijn definitieve naam: Plectrelminthus caudatus (Lindl.) Summerh.
Waarom Plectrelminthus? Waarom dan toch Plectrelminthus in plaats van Angraecum? De naar boven gedraaide lip komt vaker voor in Angraecum. Enkele voorbeelden zijn Angraecum eburneum Bory en Angraecum germinyanum Hooker f. Maar Plectrelminthus heeft toch meer gemeen met het geslacht Aerangis. Voor de kenner: het grote zuiltje, het helmknopje, beschermkapje voor de stuifmeelpakketjes (pollinia) en het opvallende rostellum met het kenmerkende viscidium doen eerder het geslacht Aerangis vermoeden, maar Plectrelminthus wijkt daar toch teveel van af. Het viscidium is het aanhangsel waar de pollinia aan vast zitten, kijk naar de detailfoto van de bloem.
Meer wormen In het prachtige boek: Angraecoid orchids van Joyce Stewart, Johan Hermans en Bob Campbell zijn ze er duidelijk over: ‘Het geslacht kent slechts één soort met twee ondersoorten’. De normale variant is Plectrelminthus caudatus var. caudatus (Lindl.) Summerh. In 2001 werd echter een nieuwe ondersoort beschreven namelijk Plectrelminthus caudatus var. trilobatus Szlach. & Olszewski. De laatste variant heeft zoals de naam al doet vermoeden een drielobbige lip. Bovendien heeft deze variant een beperkter verspreidingsgebied, namelijk Kameroen en de Centraal Afrikaanse Republiek. Naspeuren door het World Wide Web levert nog een tweede soortnaam op, eveneens door Summerhayes benaamd: Plectrelminthus spiculatus (Finet) Summerhayes, maar dat is een oud synoniem voor Aerangis spiculata (Finet) Senghas.
Moeilijk pleegkind In onze noordelijke contreien is licht en warmte een schaars goed. Het broeikaseffect verhelpt dit euvel evenmin. Deze exoot groeit op bomen over de gehele West- en Centraal Afrikaanse kuststrook. In dit uitgestrekte regenwoud van Sierra Leone tot Congo plakt de Plectrelminthus zijn grijze gezwollen wortels tegen de bomen op zeeniveau tot 600 meter hoogte. Dit gebied kenmerkt zich door een lange, droge periode vanaf onze herfst tot aan de lente. De felle zon op de evenaar en die droge periode die gepaard gaat met een temperatuurdaling moeten van belang zijn voor de cultuur. Ook de neerslag heeft een interessant patroon. Zo valt er in deze regio in juli en augustus zo’n 800 mm neerslag, vanaf september vermindert de neerslag tot 500 mm in december tot maart is het droog. Vanaf april regent het weer (80 mm), in mei valt er gemiddeld 200 mm en in juni ongeveer 500 mm. Dit in acht nemende probeer ik de plant te kweken met winterrust en in het voorjaar tot de zomer veel vocht en mest. Ik hoop dat dit de uitgelezen methode is om deze uitzonderlijke plant weer in bloei te trekken. Misschien ben ik dan volgend jaar degene die op een kringavond met een bloeiende plant ook een andere liefhebber kan inspireren tot de aanschaf van dit Afrikaanse juweel.
|