|
Als het ideale mengsel om orchideeën in te kweken gold van oudsher een basis mengsel van varenwortel en sfagnum, met soms ook nog wat half vergaan beukenblad toegevoegd. Het was luchtig en hield goed water vast. Het werd in verschillende verhoudingen gebruikt en zowel epifyten als terrestrisch groeiende soorten gedijden daarin prima. Extra bemesten werd eigenlijk nooit aanbevolen. Waarom eigenlijk niet? Een antwoord dat hierop te geven is dat men indertijd weinig kennis had van meststoffen en helemaal niet hoe deze te gebruiken in de orchideeënteelt. Echter is dat wat al te gemakkelijk gezegd. Ook toen was de werking van veel (natuurlijke) meststoffen bij andere planten al bekend en werd er al vrolijk geadverteerd met kunstmeststoffen. Het tijdschrift Onze Tuinen (1917) waaruit ik al enige tijd stukjes haal, bewijst dit. Een andere verklaring is dat bijmesten helemaal niet zo nodig was omdat het gebruikte potmengsel vrij snel verteerde. Dit verteringsproces (mineralisatie) vond plaats door de werking van diverse bacteriën die zich in een dergelijk mengsel konden ontwikkelen.
Daarbij kwamen allerlei meststoffen vrij die vervolgens door de plant werden opgenomen. Afhankelijk van de temperatuur en beschikbare hoeveelheid vocht was zo'n mengsel doorgaans na twee hooguit drie jaar verteerd zodat de overige goede eigenschappen (lucht en waterhuishouding) sterk waren verminderd. Tijd om te verpotten dus! De mineralisatie in het potmengsel verliep langzaam en continue, zolang het mengsel maar voldoende vocht bevatte. Daardoor was er altijd een lage concentratie mineralen in het potmengsel aanwezig. Omdat orchideeën een lage tot zeer lage groeisnelheid hebben en dus geringe behoefte hebben aan voedingsstoffen, was de beschikbare hoeveelheid doorgaans juist voldoende om de planten goed (genoeg) te laten groeien. Helaas voor ons, maar varenwortel is er niet meer en goede sfagnum ook al bijna niet. Daarom hebben we al geruime tijd allerlei andere substraten (bark, puimsteen, houtsnippers van meranti, beuk of berk, houtskool, kurkblokken, druivenstronken en nu weer kleikorrels) moeten gebruiken om onze planten op te kweken. Deze substraten bevatten bijna geen voedingsstoffen of zijn slecht afbreekbaar, en er komen dus geen of weinig mineralen vrij. Bemesten dus!
Op de korte termijn zien we dan in een goed groeiende plant de bevestiging dat we het goed gedaan hebben. Maar ondanks dat de plant beter lijkt te groeien, bloeit hij soms slecht. Hoe komt dit? Kort gezegd (en hier valt heel veel over te zeggen) komt het er op neer dat een plant in zijn leven keuzes maakt hoe hij zich in een bepaalde omgeving moet handhaven. Bij een optimale voorziening van alle bouwstoffen (mineralen, licht, water bij een optimale temperatuur) zal hij optimaal kunnen groeien. Hij vormt veel en grote groene delen, vaak ook veel zijscheuten. Kortom, hij richt zijn overlevingstactiek op de vegetatieve groei, omdat hij voor zijn voortbestaan minder afhankelijk is van zaad verspreiding. Goed als je in relatief korte tijd een flinke plant wilt kweken. Een plant in een omgeving die minder gunstig is (let wel: dit is iets anders dan ongunstig!) of waar de omstandigheden sterk wisselen zal een andere strategie kiezen. Hij zal uiteraard altijd moeten blijven
|