|
Een stukje geschiedenis
Het kruisen van nauw verwante diersoorten was reeds lang bekend. Iedere boerderij had wel een muilezel, met de kracht van het paard en de gehoorzaamheid van de ezel die de ouders van het dier waren. Maar verschillende plantensoorten met elkaar kruisen werd nog nauwelijks gedaan en orchideeën kruisen werd zelfs als geheel onmogelijk beschouwd. Totdat het de Schotse plantenliefhebber John Dominy in 1852 gelukte een Calanthe masuca met een Calanthe furcata te kruisen. De plant kreeg de naam Calanthe Dominii, en bloeide vier jaar later voor het eerst, in 1856.
John Dominy was in dienst van de beroemde Engelse plantenkwekerij van James Veitch & Zonen, in Chelsea, een van de grootste orchideeënkwekerijen uit die tijd. John was bevriend met een chirurg, John Harris, die hem de intieme geheimen liet zien van de voortplanting van orchideeën en die veronderstelde dat verschillende soorten kunstmatig met elkaar gekruist konden worden. Dominy was zo geïntrigeerd dat hij, met uiterst geduld, groot doorzettingsvermogen, en de hulp van zijn vriend, net zo lang kruisingen bleef proberen totdat hij uiteindelijk succes had.
In die tijd waren biologische ontdekkingen en ontwikkelingen bijna even belangrijk voor de wetenschap en zelfs voor de economie als technologische doorbraken vandaag. De twee Johns – Dominy en Harris – maakten dankbaar gebruik van hun vinding, maar hielden de techniek twintig jaren lang zorgvuldig geheim. In die periode produceerden zij bijna dertig verschillende hybriden. In 1863 lukte het hen voor het eerst om ook twee planten van verschillende, maar wel nauw verwante, geslachten te kruisen. Het waren een Laelia crispa en een Cattlea mossiae. De hybride kreeg de naam Laeliocattleya Exoniensis.
De nieuwe planten waren een ware sensatie op tentoonstellingen en plantenveilingen uit die tijd, maar het kweken van orchideeën was nog altijd erg moeilijk. De zaden van orchideeën zijn anders dan die van de meeste andere planten. Zij dragen geen voedsel bij zich. Ze zijn zo klein en fijn als een poederkorrel om door de wind over grote afstanden verspreid te kunnen worden. In de natuur moet zo’n minuscuul zaadje dan net op een plaats belanden waar een schimmel groeit die het ontkiemende zaadje van voedsel kan voorzien. Omdat dat slechts af en toe bij toeval gebeurt, produceert een orchidee in elke zaadpeul duizenden zaadjes om de kans op succes te verhogen. Ook het vermeerderen uit zaad in de kassen van kwekers had toen nog slechts sporadisch succes. Dat gold ook voor de nieuwe hybriden.
|